16 juni 2017

Gevonden genen voor regulatie hartritme geven inzicht in hart- en vaatziekten

In een internationaal onderzoek geleid door wetenschappers van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) zijn voor het eerst genen gevonden die invloed hebben op de slag-tot-slag variatie in het hartritme. De genen die een lage variatie in het hartritme veroorzaken blijken tevens de rusthartslag en de bloeddruk te verhogen, twee bekende risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Dat meldt het UMCG.

Een lage variatie in het hartritme is een voorspeller van hart- en vaatziekten, nog steeds een van de twee belangrijkste doodoorzaken. De resultaten geven meer inzicht in de verschillen tussen mensen in de werking van het autonome zenuwstelsel dat een centrale rol speelt bij het ontstaan van stress. De gevonden genen beïnvloeden de werking van de autonome zenuw in het lichaam die het hart tot rust brengt na spanning en inspanning. Bij een gezond persoon is de variatie in de tijd tussen twee opeenvolgende hartslagen sterk verschillend. Hoe hoger de variatie van het hartritme, hoe minder de kans op hart- en vaatziekten.

Hoofdonderzoeker Ilja Nolte (UMCG): "We vonden genetische varianten in acht gebieden op het menselijke genoom, waarvan we nu met grote zekerheid kunnen zeggen dat ze de variatie in tijd tussen twee hartslagen (hartslagvariabiliteit) beïnvloeden. Twee van die genen regelen de vuurfrequentie van pacemakercellen in de rechterboezem van het hart. Deze genen maken eiwitten die een rol spelen in de overdracht van de signalen die via de zenuwen van het brein naar het hart gaan en de slag-op-slag variatie in de hartfrequentie kunnen veroorzaken."

Volgens UMCG-hoogleraar Harold Snieder is de duidelijke relatie tussen genetische varianten voor de variatie in het hartritme en die voor bloeddruk een doorbraak: "Dit bevestigt het idee dat het autonome zenuwstelsel een grote rol speelt in het ontstaan van hoge bloeddruk." De genetische varianten die variabiliteit van de hartslag beïnvloeden, blijken voor individuen met voorouders uit Afrika of Latijns-Amerika niet anders te zijn dan die voor individuen met Europese voorouders. Het onderzoek bestond uit ruim 53 duizend deelnemers uit Europa en de Verenigde Staten die allen een hartfilmpje (ECG) lieten maken en bloed om wangslijmvlies hadden afgestaan voor DNA-onderzoek.

Bron: Nationale Zorggids