Cardiothoracaal chirurg in opleiding Dr. Sam Heuts zag in 2015 in de praktijk, als jonge arts en promovendus, hoe artsen dezelfde bloedwaardes verschillend interpreteerden. Nu begeleidt hij promovendus Brian Swinnen die onder zijn leiding de komende jaren onderzoek verricht om dit op te helderen.
Er blijken landelijk én internationaal geen duidelijke afspraken te zijn onder artsen voor het interpreteren van bloedwaardes die een hartinfarct kunnen aanduiden. Zo kan het voorkomen dat je in ziekenhuis A te horen krijgt dat je een hartinfarct hebt gehad na je operatie, terwijl je in ziekenhuis B met exact dezelfde waardes deze diagnose niet krijgt. Hieruit volgt ook een andere aanpak. Het lijkt dus voor de hand liggend om dit uit te zoeken en (om te beginnen landelijk) eenduidige afspraken te maken. Daarvoor is wetenschappelijk onderzoek nodig. Want welke stoffen in het bloed zijn nu het meest betrouwbaar? En waar ligt de grenswaarde precies? Sam Heuts bedacht een onderzoeksopzet om dit voor eens en altijd op te helderen. Brian Swinnen hoopt erop te promoveren over een kleine vier jaar.
Carrièrepad
De promovendus ging na zijn studie Geneeskunde als arts-assistent aan de slag in het Maastricht UMC+. Hij hoopt op termijn te kunnen worden opgeleid tot cardio-thoracaal chirurg en daarmee bewandelt hij dan hetzelfde carrièrepad als Sam Heuts, die nog een dik opleidingsjaar op dat pad te gaan heeft. De cardio-thoracaal chirurg behandelt hart-, vaat- en longziekten in de borstkas (de thorax). Al snel zag Heuts dat deze jonge arts-assistent alle eigenschappen had die hij zocht voor de promotieplek die hij in te vullen had. “Het is ook vooral aan Brian te danken dat we binnen een half jaar al dertig patiënten bereid vonden in Maastricht om mee te doen aan de studie”, zegt Heuts enthousiast. Gevraagd naar de reden voor dat succes, zegt Swinnen bescheiden dat hij plezier heeft in het contact met patiënten en dat een telefoontje om te informeren hoe het iemand gaat, een kleine moeite is.
150 patiënten
In totaal willen ze bijna 150 patiënten bij de studie betrekken, het gros in Maastricht, een deel in een ander Nederlands ziekenhuis. Als iemand voldoet aan de criteria (zoals een goede nierfunctie en geen recent hartinfarct hebben meegemaakt) krijgt hij of zij voor de operatie een MRI- en een CT-scan. Een paar dagen na de operatie gaat de patiënt opnieuw door de CT-scan en een maand erna door de MRI. Heuts: “Met een MRI-scan brengen we de functie en schade aan een hart objectief in kaart, de CT kijkt naar de doorgankelijkheid van de bypass. Daarna kunnen we dat koppelen aan de bloedwaardes van de patiënt; welke stof geeft die schade het beste weer? Daar kunnen we dan weer een afkapwaarde voor formuleren. Dat is nog nooit zo gedaan.”
Extra controles
Swinnen vermoedt dat de extra controles die mensen krijgen met de vier scans rond hun operatie een motivatie is om ‘ja’ te zeggen tegen onderzoeksdeelname. “En soms merk je ook dat ze het fijn vinden op deze manier iets te kunnen betekenen.” Op zijn beurt haalt hij voldoening uit zowel de voortgang van de studie als het patiëntencontact. “Als een operatie goed verlopen is en iemand herstelt goed, maakt me dat blij.” Tot slot benadrukt Heuts nog dat dit onderzoeksproject een samenwerking is van meerdere disciplines: cardio-thoracale chirurgie, cardiologie, klinische radiologie, klinische chemie en de intensive care.
Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Hartsvrienden, het magazine van het Hart en vaat onderzoekfonds Limburg. Dit fonds steunt wetenschappelijk onderzoek in het Hart+Vaat Centrum van het MUMC+ gericht op nieuwe behandelingen, snellere diagnoses, betere zorg en het voorkomen van hart- en vaatziekten.