Hypertensie (hoge bloeddruk)


De aanpak van hypertensie is niet alleen gericht op bloeddrukverlaging, maar ook op het voorkomen van een beroerte, ritmestoornissen, hartfalen, diabetes en nierfunctieverlies. De behandeling van nierziekten, overgewicht en diabetes kan vaak verbeterd worden door de bloeddruk te normaliseren.

De behandeling van hypertensie bestaat afhankelijk van de gevonden risicofactoren uit een persoonlijk advies, zonodig vervolgonderzoek en ondersteuning bij leefstijlaanpassingen op het gebied van voeding, beweging, roken, overgewicht en het voorschrijven van medicatie. De uitdaging is om een goede controle te verkrijgen met zo min mogelijk medicijnen en zonder bijwerkingen.

Bij de volgende drie groepen is het risico zo hoog dat medicamenteuze behandeling altijd geïndiceerd is. Dit zijn alle personen:

  • met een bovendruk, ook wel systolische bloeddruk genoemd, hoger dan 180 mmHg
  • met al bestaande hart- en vaatziekten zoals hartinfarct, CVA, TIA, angina pectoris en een bovendruk ofwel systolische bloeddruk groter dan 140 mmHg
  • met diabetes mellitus en een bovendruk ofwel systolische bloeddruk groter dan 140 mmHg.


Bij de overige patiënten is het cardiovasculaire risico (volgens de SCORE-kaart) bepalend voor het al dan niet starten met medicijnen.

Medicijnen
Er zijn vier belangrijke groepen medicijnen die in eerste instantie zullen worden ingezet als behandeling: diuretica, bètablokkers, Ras-remmers en calciumantagonisten. Daarnaast zijn er nog andere soorten bloeddrukverlagende middelen. Die zullen worden gebruikt als de behandeling met de bovenstaande groepen niet voldoende lukt.

  • Diuretica
    Hydrochloorthiazide en chloortalidon zijn de meest gebruikte diuretica. De antihypertensieve werking van deze thiazidediuretica berust op het verlies van extra water en zout. De lange termijn effecten zijn waarschijnlijk het gevolg van het verlagen van de (perifere) vaatweerstand.
  • Bètablokkers
  • Het mechanisme waardoor de bloeddruk afneemt onder behandeling met bètablokkers berust op verlaging van het hartritme en vaatverwijding.
  • RAS-remmers
    RAS-remmers verlagen de bloeddruk door de aanmaak van het bloeddrukverhogende hormoon Angiotensine II te remmen (ACE-remmers) of door het effect van dit hormoom op zijn receptor te blokkeren (Angiotensine II receptorblokkers). Hierdoor ontstaat vaatverwijding en neemt de zoutuitscheiding toe. Beide soorten geneesmiddelen remmen nog diverse andere effecten van Angiotensine II, waardoor indirect de bloeddruk wordt verlaagd.
  • Calciumantagonisten
    Er zijn verschillende soorten calciumantagonisten. Sommige hebben invloed op de kracht en de frequentie waarmee het hart klopt, anderen geven overwegend vaatverwijding. In alle gevallen leidt dit tot bloeddrukdaling.

Overige middelen
Hieronder vallen alfa-blokkers, aldosteron-antagonisten, directe vaatverwijders en centraal werkende antihypertensiva. Allen hebben een ander werkingsmechanisme. Ze zijn soms nodig in combinatie met bovengenoemde middelen om de bloedddruk extra te verlagen.