• Meer informatie over een ablatie vindt u bij EFO en ablatie bij hartritmestoornissen. 


     

     

  • Bij een verwijding van de buikslagader (aneurysma van de aorta abdominalis, AAA) kan een open buikoperatie nodig zijn. Tijdens deze operatie wordt het verwijde deel van de buikslagader vervangen door een kunststof bloedvat (vaatprothese).

    Voorbereiding op de operatie

    Voor de operatie worden verschillende onderzoeken gedaan en wordt u goed voorbereid.

    • Gesprek en onderzoek bij de anesthesioloog: uw algemene gezondheid wordt gecontroleerd. Er wordt gekeken naar uw hart, longen en nieren. Ook wordt bloedonderzoek gedaan.
    • CT-scan van de aorta (CT-angiografie): hiermee worden de bloedvaten nauwkeurig bekeken. Dit helpt de arts om de operatie goed voor te bereiden.
    • Medicijnen: sommige bloedverdunners moeten tijdelijk worden aangepast of gestopt.
    • Nuchter blijven: u mag vanaf 6 uur voor de operatie niet meer eten. Tot 2 uur voor de operatie mag u nog heldere vloeistoffen drinken.
    • Opname in het ziekenhuis: meestal wordt u de avond voor de operatie of op de ochtend van de operatie opgenomen.

    Hoe verloopt de operatie?

    Een open operatie voor een aneurysma van de buikslagader (AAA) duurt gemiddeld 3 tot 4 uur. U krijgt narcose, waardoor u tijdens de operatie slaapt en niets van de ingreep merkt.

    De chirurg voert de volgende stappen uit:

    • De chirurg maakt een snee in de buik. Meestal loopt deze van de bovenbuik naar de onderbuik. Soms wordt een snee aan de zijkant van de buik gemaakt.
    • De aorta wordt tijdelijk afgeklemd boven en onder het aneurysma. Hierdoor stroomt er tijdens de operatie tijdelijk geen bloed door dit deel van de slagader.
    • De chirurg opent het aneurysma en verwijdert het aanwezige bloedstolsel.
    • Daarna wordt een kunststof vaatprothese (een nieuw bloedvat) op de plaats van het aneurysma vastgemaakt. Hierdoor kan het bloed weer goed doorstromen.
    AAA

     

     

    • Als er ook een verwijding in de bekkenslagaders aanwezig is, wordt een speciale vaatprothese (bifurcatie/broekprothese) geplaatst. Deze heeft de vorm van een broek en wordt aangesloten op de aorta en de beide bekkenslagaders of liesslagaders.
    • Daarna wordt de buik weer gesloten.
    • Tijdens de operatie krijgt u een infuus en een urinekatheter. Soms krijgt u ook een maagsonde. Uw hartslag en bloeddruk worden continu gecontroleerd.

    Na de operatie

    Na de operatie gaat u eerst naar de uitslaapkamer (recovery) of naar de Intensive Care (IC). Daar wordt u goed gecontroleerd. Meestal gaat u de volgende ochtend terug naar de verpleegafdeling.

    De gemiddelde opname in het ziekenhuis duurt 5 tot 7 dagen.

    Pijnbestrijding

    Een goede behandeling van pijn is belangrijk voor uw herstel. U kunt verschillende vormen van pijnstilling krijgen:

    • Epidurale pijnstilling (ruggenprik): via een dun slangetje in uw rug krijgt u 2 tot 3 dagen continue pijnstilling.
    • Pijnpomp (PCA-pomp): hiermee kunt u zelf extra pijnstilling geven door op een knop te drukken. De pomp is beveiligd, zodat u niet te veel medicijnen kunt krijgen.
    • Pijnstillers als tablet: zodra u weer kunt eten en drinken, krijgt u meestal pijnstillers zoals paracetamol. Soms zijn extra pijnstillers nodig.
    Pijnbestrijding

     

    PCA-pomp

    Een goede pijnstilling helpt u om beter te ademen, goed te kunnen hoesten, sneller uit bed te komen en beter te herstellen.

    Heeft u pijn? Vertel dit dan altijd aan de verpleegkundige. Samen zorgen we ervoor dat u de juiste pijnstilling krijgt.

    Mogelijke complicaties

    Bij elke operatie kunnen complicaties ontstaan. Uw vaatchirurg en anesthesioloog beoordelen vooraf uw gezondheid en nemen maatregelen om de risico’s zo klein mogelijk te maken.

    Kort na de operatie 

    • Nabloeding: er kan een bloeding ontstaan bij de plek waar de vaatprothese aan de slagader is vastgemaakt.
    • Hartproblemen: zoals pijn op de borst (angina pectoris), hartritmestoornissen of een hartinfarct (risico 1-3%) 
    • Nierproblemen: het tijdelijk afsluiten van de aorta tijdens de operatie kan de nieren belasten. Meestal herstelt de nierfunctie weer.
    • Verminderde doorbloeding van de darm (darmischemie): dit komt weinig voor, maar kan ernstig zijn.
    • Wondinfectie: de operatiewond kan ontstoken raken.
    • Longontsteking: na een grote buikoperatie kan een longontsteking ontstaan.
    • Bloedstolsel (trombose) of losgeraakt stolsel (embolie): dit kan een bloedvat in de buik of het been afsluiten.
    Op langere termijn
    • Littekenbreuk: een zwakke plek in het litteken van de buik kan ontstaan. Hierdoor kan een bobbel of uitstulping zichtbaar worden.
    • Nieuw aneurysma bij de aansluiting van de prothese: op de plek waar de vaatprothese aan de eigen slagader is vastgemaakt, kan soms opnieuw een verwijding ontstaan.
    • Infectie van de vaatprothese: dit komt weinig voor, maar kan ernstig zijn.
    • Verbinding tussen de vaatprothese en de darm: dit is zeer zeldzaam, maar kan een ernstige complicatie zijn.
    • Bij mannen: verandering van de zaadlozing (retrograde ejaculatie): het sperma komt dan tijdens een zaadlozing in de blaas terecht in plaats van naar buiten. Dit is niet schadelijk voor de gezondheid.

    Wondzorg

    • De eerste dagen zit er een steriel verband op de wond.
    • Als de wond na ongeveer 5 dagen droog is, mag het verband er meestal af.
    • U mag douchen zodra de wond gesloten is. Overleg hierover met de verpleegkundige.
    • De hechtingen lossen meestal vanzelf op en hoeven dan niet verwijderd te worden. Als er hechtingen of nietjes zijn gebruikt die niet vanzelf oplossen, worden deze na 10 tot 14 dagen verwijderd bij de polikliniek of huisarts.
    • Een litteken heeft tijd nodig om te herstellen en kan nog 6 tot 12 maanden veranderen. Bescherm het litteken tegen de zon en gebruik bijvoorbeeld zonnebrandcrème.

    Neem direct contact op bij:

    • Roodheid, zwelling of warmte rondom de wond.
    • Pus of vocht uit de wond.
    • Koorts hoger dan 38,5 °C.
    • Toenemende pijn aan de wond of het been.
    • Een blauwe of koude voet of onderbeen.

    Ontslag en herstel thuis

    Het herstel na een open operatie van een aneurysma van de buikslagader (AAA) duurt meestal 6 tot 12 weken. Bouw uw activiteiten rustig op.

    • Week 1 en 2: maak korte wandelingen in huis. Het is normaal dat u snel moe bent.
    • Week 3 en 4: ga stap voor stap langere stukken buiten wandelen.
    • Na 6 weken: u mag meestal weer voorwerpen tot maximaal 5 kilo tillen.
    • Na 6 tot 8 weken: het tilverbod kan meestal worden opgeheven. Fietsen en autorijden kunt u hervatten in overleg met uw arts.
    • Na ongeveer 3 maanden: de meeste mensen zijn weer volledig hersteld.

    Seksueel contact is veilig zodra u zich daar lichamelijk en emotioneel klaar voor voelt. Bespreek het met uw arts als u hierover twijfelt.

    Leefstijl en medicijnen na de operatie

    Blijf goed voor uw gezondheid zorgen na de operatie.

    • Stop helemaal met roken. Roken vergroot de kans op problemen met de vaatprothese.
    • Neem uw medicijnen zoals afgesproken. Dit zijn bijvoorbeeld een bloedverdunner, cholesterolverlager (statine) en bloeddrukverlagende medicijnen.
    • Eet gezond en beweeg elke dag.
    • Neem bij klachten op tijd contact op. Meld bijvoorbeeld koorts, pijn of andere nieuwe klachten.

    Controles op lange termijn

    Een vaatprothese gaat meestal meer dan 25 jaar mee. Toch blijven controles belangrijk om de prothese en uw bloedvaten te controleren.

    • Na 6 weken: eerste controle op de polikliniek.
    • Daarna ieder jaar: controle met een echo of duplexonderzoek van de vaatprothese en de aorta.
    • Bij klachten: neem altijd direct contact op met uw behandelend arts of de polikliniek.

     

     

    Lees meer

  • De meest voorkomende hartoperatie in het MUMC+ is een bypassoperatie of CABG

    Wat is een bypassoperatie/CABG?

    Een bypass- of omleidingsoperatie is een hartoperatie aan uw kransslagaderen waarbij er een omleiding wordt gemaakt. In de medische wetenschap noemt men deze operatie een ‘Coronary Artery Bypass Grafting’ (CABG). Tijdens de operatie plaatst de hartchirurg een stukje ader of slagader voorbij één of meerdere vernauwingen in uw kransslagader. Zo stroomt het bloed via een alternatieve route. Door deze bypass operatie heeft u geen last meer van de kransslagadervernauwing.

    Wanneer wordt een bypass operatie uitgevoerd?

    Kransslagadervernauwing kan ook behandeld worden door medicijnen of een dotterbehandeling. Echter wanneer een vernauwing in meerdere kransslagaders voorkomt en/of op centrale cruciale plekken aanwezig is en/of een dotterbehandeling technisch niet haalbaar is dan wordt gekozen voor een bypass operatie/CABG. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de langetermijnsresultaten in deze gevallen beter zijn.

    Waar wordt de bypass van gemaakt?

    U hebt in uw lichaam een aantal bloedvaten die u kunt missen. De chirurg gebruikt bij voorkeur één of meerdere van de inwendige borstslagaders omdat deze de beste resultaten geven. In vele gevallen zal de chirurg ook gebruik maken van of een slagader uit de arm en/of van de aders uit een of uit beide benen. Hij maakt de (slag)ader los en hecht deze dan achter de vernauwing op de kransslagader. In het geval van een ader zal een kant ook nog vastgemaakt dienen te worden op de aorta (de grote lichaamsslagader). Hoe meer vernauwingen er zijn hoe meer bypasses er nodig zijn.

    Hoe wordt een bypass operatie uitgevoerd?

    Er zijn twee operatiemethodes om (slag)aders bij kransslagadervernauwing om te leiden:

    • CABG: tijdens deze bypass operatie wordt de hart-longmachine gebruikt. De hart-longmachine neemt tijdelijk de functie van het hart en de longen over tijdens de operatie zodat het hart veilig kan worden stilgezet.
    • OPCAB (kloppend hart): de bypass operatie vindt plaats terwijl het hart doorklopt. Het deel van het hart waar de chirurg de omleiding aanlegt, wordt met behulp van een speciaal apparaat (octopus genaamd) stilgelegd. Uw chirurg kan u meer uitleg geven over welke methode toegepast zal gaan worden.

     

     

    Lees meer

  • Patiënteninformatie

    Lees meer in het informatieblad

    Wat is een elektrische cardioversie (ECV)?

    Bij een ECV probeert de arts een te snel of onregelmatig hartritme te veranderen in een normaal hartritme. Dit doet hij door u maximaal 3 elektrische schokken te geven. U krijgt hiervoor sedatie. Door dit slaapmiddel merkt u niets van de schokken. 

    Waarom een elektrische cardioversie?

    U krijgt een ECV als u lange tijd last heeft van een onregelmatige hartslag. Dit heet ook wel atriumfibrilleren of boezemfibrilleren. Vaak heeft u dan ook last van hartkloppingen, voelt u zich duizelig en kunt u moeilijk ademen.

    In de patiëntenfolder Elektrische cardioversie leest u meer over de voorbereiding, de behandeling, risico's en complicaties 

     

    Lees meer

  • Patiënteninformatie

    Wilt u meer weten? Lees dan de folder: 

    Wat is een hartkatheterisatie

    Een hartkatheterisatie is een onderzoek naar de bloedvaten van uw hart. Deze bloedvaten heten ook wel kransslagaders. Via deze slagaders stroomt zuurstofrijk bloed naar de hartspier.

    De arts kijkt tijdens het onderzoek of er een vernauwing zit in de kransslagaders. Door een vernauwing stroomt het bloed minder goed.

    Een hartkatheterisatie is bijvoorbeeld nodig bij een hartinfarct of bij pijn op de borst (ook wel angina pectoris genoemd).

    Wat is een dotterbehandeling?

    Een dotterbehandeling is een manier om een vernauwing in de kransslagaders te verhelpen. 

    Soms ziet de arts tijdens de hartkatheterisatie dat een dotterbehandeling nodig is. De arts bespreekt dit met u. Als het kan, voert de arts de behandeling direct uit.

    Meer informatie

    Wilt u alle informatie rustig nalezen? Dat kan in de folder:

     

     

     

    Lees meer

  • In uw hart zitten vier hartkleppen: de aortaklep, pulmonalisklep, mitralisklep en tricuspidalisklep. Deze hartkleppen zorgen er door te openen of te sluiten voor dat het bloed in uw lichaam in de juiste richting blijft stromen. Door een hartklepaandoening kan er schade aan het hart ontstaan. Uw hart raakt overbelast en u kunt last krijgen van kortademigheid, pijn op de borst, onregelmatige hartslag, vermoeidheid en duizeligheid bij een inspanning. Er kan sprake zijn een lekkende hartklep (insufficientie), vernauwde hartklep (stenose) of een combinatie van beide. Indien deze aandoening leidt tot klachten of gevolgen heeft voor functioneren van uw hart dan kan een hartklepoperatie noodzakelijk zijn. 

    Wat is een hartklepoperatie?
    Bij een hartklepoperatie beoordeelt de hartchirurg eerst of het mogelijk is om uw hartklep(pen) te repareren. Een reparatie gebeurt met behulp van hartklepplastiek en is vooral bij de mitralisklep en tricuspidalisklep vaak mogelijk. Maar ook de aortaklep kan gerepareerd worden.

    Hartklepvervanging
    Als een hartklepplastiek niet mogelijk is, wordt de beschadigde hartklep vervangen door een prothese. Er zijn twee soorten prothesen: mechanische- en biologische kunstkleppen.

    Mechanische kunstkleppen: de mechanische kunstkleppen zijn gemaakt van duurzaam materiaal zoals kunststof of koolstof en metaal. Ze slijten nauwelijks en gaan in principe levenslang mee. Sommige van deze kleppen zijn duidelijk hoorbaar, andere maken weinig geluid. Wie een mechanische klep krijgt, moet daarna altijd een antistollingsmiddel (bloedverdunner) blijven slikken. Het gebruik van bloedverdunners is belangrijk omdat anders bloedcellen aan de kunstklep kunnen vastkleven en een bloedstolsel op de klep kan ontstaan. Als er een bloedstolsel op de nieuwe klep ontstaat kan de klep niet meer goed openen en sluiten. Er wordt dan bij u regelmatig bloedgeprikt bij de Trombosedienst om te controleren of het bloed niet te dik is. De medewerkers van de Trombosedienst zorgen er voor dat u weet hoeveel tabletjes u dagelijks moet slikken tot de volgende controle. In sommige gevallen is het ook mogelijk uw bloed zelf te controleren met behulp van een vingerprik. U kunt hiervoor informatie opvragen bij de Trombosedienst

     

    Biologische kunstkleppen
: de biologische kunstkleppen (of bioprothesen) zijn gemaakt van speciaal bewerkt weefsel van dieren (varkens of runderen) of het zijn donorkleppen van mensen. Menselijke kleppen zijn niet beter dan dierlijke. De biologische kleppen hebben als voordeel dat ze geluidloos zijn en dat u er geen antistollingsmiddel bij hoeft te gebruiken. Het belangrijkste nadeel is dat ze kunnen slijten en soms weer vervangen moeten worden. Bij jongere mensen kan een biologische klep in de loop der jaren ook gaan verkalken en daardoor vernauwd raken. Bij mensen boven de 65 jaar gebeurt dit veel minder en is de levensduur van de kleppen aanvaardbaar. Daarom krijgen mensen van 65 jaar en ouder, die in het  MUMC een hartoperatie ondergaan, meestal een biologische klep. Uw chirurg zal met u bespreken wat voor u de beste klep is. Deze keuze is onder andere afhankelijk van uw leefstijl, toestand van uw hart, eventuele bijkomende ziekten en uw persoonlijke voorkeur.

     

    Hoe gaat de behandeling zijn werk?

    Het hart kan voor een hartklepoperatie op een aantal manieren benaderd worden. Meestal zal de chirurg het borstbeen openen (sternotomie) zodat het hart vrij komt te liggen. In sommige gevallen kan het hart ook benaderd worden via een kleinere sternotomie (minimaal invasieve aortaklepvervanging) of via de ribbenkast (minimal invasieve mitralisklepchirurgie). De hartklepoperatie duurt gemiddeld twee-zes uur, afhankelijk van de soort ingreep. Tijdens de operatie neemt de hart-longmachine de pompfunctie van het hart en de zuurstofvoorziening van het bloed over. Hierdoor kan de hartchirurg de operatie aan een onbeweeglijk hart uitvoeren.

    In het geval van een aortaklepoperatie kan een klassieke operatie te risicovol worden geacht en een nieuwe hartklep via de lies of via de punt van het hart worden ingebracht. Dit heet een TAVI procedure. TAVI staat voor Transcatheter Aortic Valve Implantation en houdt in dat:

    • via een katheter (transcatheter)
    • een nieuwe aortaklep (Aortic Valve)
    • wordt geïmplanteerd (Implantation)

     

    Lees meer

  • Patiënteninformatie

    Wilt u meer weten? Lees dan de folder: 

    De meest voorkomende hartoperatie in het Hart+Vaat Centrum/MUMC+ is een bypassoperatie.

    Uitleg over wat is een bypassoperatie

     

    Wanneer is een bypassoperatie nodig?

    Een bypassoperatie is nodig als:

    • er meerdere vernauwingen zijn in de kransslagaders,
    • de vernauwingen op belangrijke plaatsen zitten,
    • een dotterbehandeling niet mogelijk is.

    Soms kunnen klachten ook behandeld worden met medicijnen of een dotterbehandeling. Uw arts bespreekt met u welke behandeling het beste past.

    Waar wordt de bypass van gemaakt?

    De chirurg gebruikt bloedvaten uit uw eigen lichaam. Vaak gaat het om:

    • de borstslagader,
    • een slagader uit de arm, of
    • een ader uit het been.

    Deze bloedvaten worden gebruikt om een omleiding te maken voorbij de vernauwing. Soms zijn meerdere omleidingen nodig.

    Welke soorten bypassoperaties zijn er?

    CABG (Coronary Artery Bypass Grafting)
    Dit is de klassieke bypassoperatie. De borstkas wordt geopend via het borstbeen. Het hart wordt tijdelijk stilgezet en een hart-longmachine neemt de functie van hart en longen over.

    OPCAB (Off-Pump Coronary Artery Bypass)
    Dit is een bypassoperatie op een kloppend hart. De borstkas wordt geopend via het borstbeen, maar het hart wordt niet stilgezet en er wordt geen hart-longmachine gebruikt.

    MIDCAB (Minimally Invasive Direct Coronary Artery Bypass)
    Dit is een minimaal invasieve bypassoperatie. De operatie gebeurt via een kleinere snede aan de zijkant van de borstkas. Het hart blijft kloppen en er wordt geen hart-longmachine gebruikt. Deze methode is minder ingrijpend en het herstel kan sneller zijn.

    Uw chirurg bespreekt met u welke methode in uw situatie wordt gebruikt.

    Bypassoperaties

     

    Mogelijke risico’s en complicaties

    Een bypassoperatie is een grote operatie. Mogelijke risico’s zijn:

    • bloeding;
    • infectie van de wond;
    • hartritmestoornissen;
    • pijn of gevoeligheid van het borstbeen;
    • vocht in de longen;
    • zelden: beroerte of hartinfarct.

    Uw arts bespreekt deze risico’s vooraf met u.

    Onderzoeken voor de operatie

    Voor de operatie krijgt u vaak één of meerdere onderzoeken, zoals:

    Opname en voorbereiding

    Voor uw opname krijgt u uitleg over hoe u zich kunt voorbereiden op de operatie. 

    Eet energie- en eiwit verrijkte voeding

    Met energie- en eiwit verrijkte voeding kunt u uw lichamelijke conditie voor de operatie verbeteren. Hierdoor voelt u zich beter en kunt u de kans op complicaties tijdens en na de operatie verkleinen. U doet dit  door bijvoorbeeld kleinere tussenmaaltijden te eten en wat vettere producten. Omdat deze meer energie leveren. Voorbeelden hiervan zijn volle melk en melkproducten, 48+-kaas, roomboter maar ook producten als noten of zalm.

    Wat neemt u mee?
    • Een actueel overzicht van uw medicijnen
    • Uw medicijnen in de originele verpakking
    • Uw CPAP-apparaat (als u dit gebruikt)
    • Iets om te doen, zoals een boek, tijdschrift, telefoon of tablet
       

    Na de operatie (Intensive Care)


    Na de operatie gaat u eerst naar de Intensive Care (IC). U heeft daar maar weinig spullen nodig:

    • 1 set ondergoed en een pyjama
    • stevige schoenen of pantoffels
    • toiletartikelen
    • bril, gehoorapparaat en/of gebitsprothese
      (neem ook een etui, bakje, oplader of batterijen mee)

    Terug op de verpleegafdeling (ongeveer na 4 dagen)
    Uw familie kan deze spullen later voor u meenemen:

    • extra ondergoed en pyjama’s.
    • een kamerjas (optioneel),
    • stevige schoenen of pantoffels,
    • makkelijke, ruime kleding (geen strakke kleding),
    • BH (voor dames) met voorsluiting en zonder beugel.

    Kunt u geen spullen laten brengen? Dan kunt u gebruikmaken van een kluisje op de afdeling. Wij adviseren u voorzichtig te zijn met het meenemen van waardevolle spullen, zoals een smartphone, laptop, sieraden en geld. U krijgt een nachtkastje, maar dit is niet afsluitbaar. Het ziekenhuis is niet verantwoordelijk voor het zoekraken van uw eigendommen.

    Weer naar huis: wat moet u regelen?

    • Zorg voor opvang en ondersteuning vanuit uw directe omgeving.
    • Eventueel hulp bij het aan- en uittrekken van steunkousen (gedurende 6 weken, ’s ochtends en ’s avonds).
    • Woont u alleen? Zorg dat iemand regelmatig naar u omkijkt.
    • U heeft mogelijk hulp nodig bij het doen van boodschappen.
    • Verwacht u problemen wanneer u weer naar huis gaat? Of merkt u dat u na ontslag niet naar huis kunt? Geef dit dan op tijd door aan de verpleging.
    • Meestal is thuiszorg of revalidatie niet nodig. Is dit toch nodig? Dan regelen we dit tijdens uw opname.
    • Huishoudelijke hulp regelt u zelf vooraf via de WMO.

    Tijdens uw opname

    Tijdens uw opname is het belangrijk dat u aangeeft wanneer u pijn heeft. Zo kunnen we de behandeling zo nodig aanpassen. We zorgen er dan voor dat u zo min mogelijk pijn ervaart. Wij vragen u ook meerdere keren per dag naar uw pijn.

    Route van opname: vóór en na de operatie

    Dag voor de operatie (dag -1)

    Op de dag van opname kunt u het volgende verwachten:

    • Een opnamegesprek met de verpleegkundige en de zaalarts
    • Een gesprek met de fysiotherapeut
    • Bloedonderzoek
    • Wegen (om eventuele gewichtstoename na de operatie goed te kunnen volgen)
    • Meten van onder andere uw bloeddruk

    Als u nog niet op de polikliniek bent geweest, vindt er ook een gesprek plaats met de anesthesioloog. Daarnaast worden er nog een ECG (hartfilmpje) en een X-thorax (longfoto) gemaakt.


    Dag van de operatie (dag 0)
    • De verpleegkundige maakt u op tijd wakker. Dit hangt af van het tijdstip van uw operatie.
    • Na de operatie belt de chirurg uw eerste contactpersoon om te vertellen hoe de operatie is verlopen.
    • Na de operatie gaat u naar de intensive care (IC), waar u meestal één dag blijft.
    • Bezoek op de intensive care is mogelijk in overleg met de verpleegkundige.
    Dag na de operatie (dag 1)
    • De dag na de operatie wordt op de intensive care beoordeeld of u voldoende hersteld bent om te worden overgeplaatst naar de verpleegafdeling (D4).
    • Als u nog niet klaar bent voor overplaatsing, blijft u langer op de intensive care.
    • U kunt ook langer op de intensive care blijven als er op de verpleegafdeling geen bed beschikbaar is.
    • Bij overplaatsing naar een andere afdeling wordt uw contactpersoon hiervan op de hoogte gebracht.
    De daaropvolgende dagen
    • Uw hartslag wordt voortdurend in de gaten gehouden met een draagbaar kastje (telemetrie). Zolang u dit kastje draagt, mag u de afdeling niet verlaten.
    • De arts en verpleegkundige bekijken elke dag wanneer u naar huis kunt.
    • Op de derde dag na de operatie krijgt u meerdere onderzoeken. Op basis van de uitslagen en de gegevens van de telemetrie wordt bepaald wanneer u met ontslag naar huis kunt.
    • Bent u vanuit een ander ziekenhuis naar ons verwezen? Dan kunt u na de onderzoeken worden teruggebracht naar uw eigen ziekenhuis. U gaat dan per ambulance. Dit kan alleen als daar plaats is.
    • De overdracht van de ochtenddienst naar de avonddienst gebeurt aan uw bed. Uw contactpersoon mag hierbij aanwezig zijn.


    Weer thuis

    Conditie en vermoeidheid
    Door de operatie en opname is uw conditie verminderd. U bent sneller moe na inspanning en u kunt mogelijk last hebben van concentratieproblemen. Het herstel gaat in de eerste dagen tot weken vaak vrij snel. Volledig herstel kan echter enkele maanden duren. Dit verschilt per persoon en per ingreep. U herstelt sneller en beter als u onderstaande adviezen opvolgt. Bouw in de eerste weken activiteiten rustig op. Luister goed naar uw lichaam en neem voldoende rust.

    Heeft u een operatie via de ribben gehad?
    Het gevoel rondom de wond kan na de operatie anders zijn. U kunt een doof gevoel of een scherpe, stekende pijn hebben. Dit komt doordat kleine huidzenuwen tijdens de operatie beschadigd kunnen raken.
    U mag uw dagelijkse activiteiten meestal rustig weer oppakken. Luister goed naar uw lichaam.

    Wat mag u tijdelijk niet doen na de operatie?

    Wat mag u tijdelijk niet doen na de operatie?

     

    Wondzorg na de operatie

    De wond kan in het begin gevoelig zijn. Dit is normaal. De genezing duurt enkele weken.

    Geneest de wond goed? Dan is extra wondzorg niet nodig. Wij adviseren u om: 

    • elke dag te douchen;
    • de wond alleen met water te wassen, zonder zeep;
    • de wond voorzichtig droog te deppen, dus niet te wrijven;
    • de hechtingen na 10 tot 14 dagen na uw operatie te laten verwijderen door uw huisarts.

    Heeft u wel extra wondverzorging nodig? Dan regelen wij dit voordat u naar huis gaat.

    Wanneer neemt u meteen contact op?

    Neem contact op met de Eerste Hart Hulp van uw eigen ziekenhuis bij:

    • Roodheid, zwelling of warmte
    • Vocht of pus uit de wond
    • Toenemende pijn
    • Koorts

    Algemene adviezen

     

    Hartrevalidatie

    Hartrevalidatie is voor iedereen die een hartprobleem heeft gehad. Dit helpt u om uw conditie op te bouwen, veilig te bewegen en beter om te gaan met uw herstel en vermoeidheid. Ongeveer 3 weken na ontslag ontvangt u een uitnodiging voor de informatiebijeenkomst hartrevalidatie. De hartrevalidatie vindt plaats in uw eigen ziekenhuis. Meer informatie over deze bijeenkomst en over wat hartrevalidatie is in het MUMC+, vindt u op onze website bij hartrevalidatie. 

    Controle afspraak

    Ongeveer 6 weken na ontslag komt op controle op de poli. Hier krijgt ook het intakegesprek voor de hartrevalidatie. 

     

    Lees meer

  • Patiënteninformatie

    Lees meer in de volgende bladen:

    Wat is een ICD?

    Een ICD is een klein apparaatje dat onder de huid wordt geplaatst en uw hartslag meet.Als uw hart een gevaarlijk ritme krijgt, geeft de ICD een elektrische schok of kleine elektrische prikkels. Zodat uw hart weer normaal gaat kloppen.Een ICD bestaat uit: 

    • een kastje (puls generator)
    • Elektrodedraden (leads) 

    Soorten ICD’s:

    Transveneuze ICD

    • Ligt onder de huid bij het sleutelbeen
    • Draden lopen via de aders naar het hart
    • Kan een schok geven én kleine elektrische prikkels.                     
    •  
    •  
    • Subcutane ICD (S-ICD)

      Ligt onder de huid aan de zijkant van de borst
    • Draad loopt alleen onder de huid, niet naar het hart
    • Kan alleen een schok geven. 
    •  
    • Extravasculaire ICD (EV-ICD)
      • Ligt onder de huid aan de zijkant van de borst. 
      • De draad loopt onder de huid en onder het borstbeen, vlak bij het hart
      • Kan een schok geven en in de meeste gevallen kleine elektrische prikkels

    De arts bespreekt samen met u welke ICD bij u past en waarom.

    ICD: wat doet het en voor wie is het bedoeld?

    Een ICD is een apparaatje dat het hart voortdurend in de gaten houdt.Alleen bij een gevaarlijke hartritmestoornis grijpt de ICD in. Dit doet de ICD met een schok of korte elektrische prikkels (pacing). De ICD voorkomt geen ritmestoornissen, maar kan ze wel stoppen als dat nodig is.

    Reden voor een ICD: 

    Primaire preventie: om een hartstilstand te voorkomen voordat u er één heeft gehad. 

    Secundaire preventie: omdat u al een hartstilstand of gevaarlijk hartritme heeft gehad. 

    Kans dat de ICD ingrijpt: Afhankelijk van de reden waarom u een ICD krijgt, is de kans dat de ICD in de eerste 5 jaar ingrijpt verschillend:

    • Bij primaire preventie: ongeveer 15 van de 100 mensen
    • Bij secundaire preventie: ongeveer 45 van de 100 mensen

    Wat voelt u van de ICD?

    • Hoe voelt een schok?
      • Sommige mensen merken niets, vooral als ze tijdelijk het bewustzijn verliezen.
      • Als u bij bewustzijn bent, voelt het als een sterke klap op de borst of rug.
      • Na een schok kunt u zich moe voelen of spierpijn hebben bij de plek van de ICD.
    • Hoe voelen korte prikkels/pacing?
      • Afhankelijk van het type ICD kan deze korte elektrische prikkels (pacing) geven om een hartritmestoornis te stoppen.
      • Soms voelt u dit, soms niet.

    Wat is een levensbedreigende hartritmestoornis?

    Bij een levensbedreigende hartritmestoornis trekt het hart te snel samen. Het bloed wordt niet goed rondgepompt. Dit kan leiden tot bewusteloosheid of overlijden.

    Soorten ritmestoornissen:

    • Ventrikeltachycardie:  soms stopt vanzelf. Als dat niet gebeurt, u kunt u zich slecht voelen, duizelig worden en/of flauwvallen.”
    • Ventrikelfibrilleren: stopt bijna nooit vanzelf; kan binnen enkele minuten tot overlijden leiden.

    Voorbereiding op de operatie

    • U krijgt een afspraak bij een cardioloog en een ICD-verpleegkundige. Zij leggen alles uit over:
      • De ICD en de operatie
      • Nazorg en leven met een ICD.
    • Er worden vragen gesteld over allergieën, medicijnen, bloedverdunners en beperkingen.
    • Soms zijn aanvullende onderzoeken nodig: ECG, echo, bloedonderzoek of MRI.

    Ongeveer een week voor de opname belt de ICD-verpleegkundige u met instructies en medicatieadvies. 

    Wat u moet doen op de dag van opname:

    • Goed douchen
    • Nuchter zijn vanaf middernacht
    • Medicatie innemen zoals geadviseerd
    • Iemand regelen om u te brengen en ophalen
    • Op tijd melden op de afdeling
    • Neem uw pyjama, toiletspullen en eigen medicatie mee, voor als u toch een nacht moet blijven. 

    Zo wordt een ICD geplaatst

    Een ICD wordt geplaatst op de Hartkatheterisatiekamer-afdeling (HKK) van het Hart+Vaat Centrum MUMC+. Dit is een speciale afdeling met meerdere kamers voor hartonderzoeken en hartbehandelingen. Het is een kamer zoals een operatiekamer, maar dan alleen voor het hart. Op de HKK aangekomen wordt de ICD als volgt geplaatst:

    Transveneuze ICD: De cardioloog plaatst de ICD meestal enkele centimeters onder het linker sleutelbeen onder de huid. Met één of meer draden wordt de ICD met het hart verbonden.

    De ingreep:

    • Duurt 1 tot enkele uren, afhankelijk van het type ICD 
    • Plaatselijke verdoving; u blijft meestal bij bewustzijn
    • Soms is een vorm van slaapmedicatie nodig, bespreek dit met uw cardioloog

    Stappen:

    • Kleine snee onder het sleutelbeen.
    • Draden via een bloedvat in het hart geplaatst.
    • Draad vastgeschroefd in de hartwand en aangesloten op de ICD.
    • Onder de huid wordt een ruimte (pocket) gemaakt voor de ICD.
    • Wond dichtgemaakt met onderhuidse hechtingen.

      Belangrijk: wees voorzichtig met het bewegen van de arm aan de kant van de ICD. U krijgt hierover instructies in het ziekenhuis.

    Subcutane ICD (S-ICD): 
    De ingreep: 

    • De ICD wordt aan de linkerkant van de borstwand onder de huid geplaatst.
    • U wordt tijdens de ingreep in slaap gebracht.
    • Duurt ongeveer 1 tot 2 uur.

      Stappen:
    • Sneetje aan de zijkant van de borstkas onder de oksel om de pocket te maken.
    • Klein sneetje onder het borstbeen
    • Draad onder de huid (S-ICD) of onder het borstbeen (EV-ICD) geplaatst.
    • Aan het einde van de implantatie wordt de ICD getest door een ritmestoornis op te wekken.

    Extravasculaire ICD (EV-ICD) 

    De ingreep:

    • De EV-ICD wordt aan de linkerkant van de borstwand onder de huid geplaatst. 
    • U wordt tijdens de ingreep in slaap gebracht.
    • Duurt ongeveer 1-2 uur
       

    Stappen: 

    • Sneetje aan de zijkant van de borstkas
    • De ICD wordt aan de linkerkant van de borstwand onder de huid geplaatst.
    • U wordt tijdens de ingreep in slaap gebracht.
    • Duurt ongeveer 1 tot 2 uur.

    Belangrijk: wees voorzichtig met het bewegen van de arm aan de kant van de ICD. U krijgt hierover instructies in het ziekenhuis.

                 

    Na de operatie?

    U gaat terug naar de verpleegafdeling. De verpleegkundige en zaalarts controleren of alles goed is gegaan.

    • U kunt vaak dezelfde dag naar huis
    • Het operatiegebied kan blauw en pijnlijk zijn
    • Neem de eerste dagen paracetamol (maximum 4 keer 1000 mg per dag, met 6 uur pauze)
    • Meld altijd afwijkingen of klachten zoals:
      • Meer pijn
      • Zwelling of roodheid
      • Koorts
      • Bloeding
      • Kortademigheid
      • ICD-schok

    Belangrijk aandachtspunt:
    Beweeg uw arm aan de kant van de ICD voorzichtig.U krijgt hierover duidelijke instructies in het ziekenhuis.

    Mogelijke problemen met de ICD

    Bij elke operatie kunnen problemen/complicaties voorkomen, zoals een bloeding, infectie of problemen met de wond.De kans hierop is klein. 
    Uw arts bespreekt dit met u.

    Hieronder een overzicht van de belangrijkste problemen. 

    • Nabloeding van de operatiewond bij ongeveer 2 van de 100 patiënten.
    • Verschuiving van de draad bij ongeveer 3 van de 100 patiënten.
    • Infectie van de operatiewond bij ongeveer 2 van de 100 patiënten
    • Klaplong (luchtlek van de long)
    • Trombosearm
    • Bloeding in het hartzakje 
    • Het draadje werkt niet goed: bij ongeveer 1 van de 100 patiënten
    • Infectie van de ICD of draad: bij minder dan 1 van de 100 patiënten
    • Onterechte schok: bij 7 van de 100 patiënten in de eerste 5 jaar

    Controle van de ICD en nazorg

    • Ongeveer 2 weken na implantatie krijgt u controle op de polikliniek of bij een ziekenhuis bij u in de buurt
    • De ICD wordt draadloos gecontroleerd
    • De wond wordt gecontroleerd
    • U krijgt informatie over hartrevalidatie wat u wel of (nog) niet mag doen. 

    Hierna vindt minimaal 1 keer per jaar een technische controle plaats, soms op afstand. De ICD kan op elk moment uitgelezen worden om uw hartritme en de werking van het apparaat te controleren. 

    Leefregels na implantatie

    Om complicaties te voorkomen vragen wij u zich te houden aan onderstaande leefregels:Meld altijd afwijkingen of klachten zoals:

    • toename pijn
    • koorts
    • zwelling of rood en warm worden van de wond
    • als er vocht uit de wond komt.

    Advies voor de eerste weken na de behandeling:

    • Afhankelijk van hoe u zich voelt, is het verstandig om tot de eerste controle (ongeveer 2 weken) niet te sporten of te werken.
    • Wees voorzichtig, zodat de wond goed kan genezen. Probeer te voorkomen dat er spanning op de wond komt.
    • Wacht met zwemmen of in bad gaan tot de wond helemaal genezen en dicht is.

    Wat u wel of niet kunt doen met een ICD

    Met een ICD kunt u bijna alle dagelijkse activiteiten blijven doen. Er zijn wel een paar aandachtspunten:

    • Rijden: U mag niet direct na de implantatie rijden. 
      • Bij primaire preventie is dit ongeveer 2 weken
      • Bij secundaire preventie 2 maanden.
      • Na een ICD-schok geldt 2 maanden rijverbod. 

    Voor uitgebreide informatie over rijden met een ICD leest  alles op de pagina van het CBR (www.cbr.nl/nl/rijden-en-uw-gezondheid/nl/rijden-met-een-aandoening-bepe…).

    • Sporten: U mag sporten. Vermijd wel heel zware of speciale sporten (intensief gewichtheffen, contactsporten zoals voetbal of judo, duursporten op hoog niveau.
    • Apparaten en magnetische velden: Huishoudelijke apparaten zoals televisies, magnetrons en inductiekookplaten zijn veilig. Houd mobiele telefoons op minstens 15 cm van de ICD. Grote magneten of elektromotoren kunnen de ICD beïnvloeden. Vertel uw fysiotherapeut, tandarts of schoonheidsspecialist dat u een ICD heeft.
    • Reizen: Vliegen mag, u kunt veilig door metaaldetectiepoortjes en laat uw ICD-kaart zien.
    • Verzekeringen en keuringen: Een ICD kan invloed hebben op levensverzekeringen, hypotheken of medische keuringen. 

     Vervanging van een ICD

    • ICD’s gaan tegenwoordig gemiddeld 7 tot meer dan 10 jaar mee. Hoe lang precies hangt af van het type ICD en hoeveel stroom de pacemakerfunctie gebruikt.
    • Wanneer de batterij bijna leeg is, wordt de ICD vervangen tijdens een korte ingreep. De draden blijven meestal in het lichaam zitten en hoeven niet opnieuw geplaatst te worden.
    • Vóór de vervanging bespreekt de arts of ICD-verpleegkundige met u of u opnieuw een ICD nodig heeft. U kunt dan ook zelf kiezen voor wel of geen ICD. In sommige gevallen kan een ICD zelfs verwijderd worden, ook als de batterij nog niet leeg is.

    Kun je nog overlijden met een ICD?

    • Een ICD beschermt alleen tegen levensbedreigende hartritmestoornissen.
    • U kunt dus nog steeds overlijden aan uw hartziekte of andere aandoeningen.
    • In de loop van het leven kan uw hart slechter gaan functioneren of kunt u andere ziekten krijgen. De ICD kan dan soms het natuurlijke stervensproces vertragen.
    • Als verlenging van het leven niet meer gewenst is, kan de schokfunctie van de ICD uitgezet worden. Bespreek dit met uw arts.
    • Vlak voor overlijden kunnen de ICD-schokken ongewenst en pijnlijk zijn, ook voor naasten.
    • Ook na overlijden kan de ICD nog schokken geven, met bewegingen van het lichaam als gevolg. Daarom is het bij een verwacht en geaccepteerd overlijden belangrijk om de schokfunctie van de ICD vooraf uit te schakelen.
    • Meer informatie vindt u op de website van de Stichting ICD-dragers Nederland (www.stin.nl/)

    Medicijnen

    Medicijnen zijn belangrijk voor uw behandeling en herstel. Ze helpen om klachten van ziektes te verminderen of te voorkomen. Iedereen krijgt medicijnen die passen bij zijn of haar eigen situatie. Wilt u meer weten? Kijk dan op de website van de MUMC+ apotheek (apotheek.mumc.nl/informatie-over-medicijnen) . U kunt ook de online Medicatiewijzer (apotheek.mumc.nl/medicijnen)  gebruiken. Heeft u een vraag over uw medicijnen? Stel deze dan aan de online apotheker (apotheek.mumc.nl/online-apotheker) .

     

    Lees meer

  • Mitraalklep-reparatie

    Bij een defecte mitraalklep zal  er eerst gekeken worden naar de mogelijkheid om deze te repareren. Het voordeel  hiervan is dat u uw eigen hartklep behoud, er dient wel gezegd te worden dat het repareren van de mitraalklep niet altijd lukt. Tijdens de operatie zal de arts dit beoordelen. Ons centrum biedt verschillende reparatietechnieken door zeer ervaren operatieteam.

    Onder de reparatie valt onder andere:

    • Het losmaken van aan elkaar vergroeide klepbladen
    • Het verwijderen van een afwijkend stukje klep
    • Het kleiner maken van de klepring doormiddel van een kunstring
    • Plaatsen van nieuwe chordae ter vervanging van geruptureerde chordae

    Mitraalklep-vervanging

    In bepaalde gevallen kan uw arts een operatie aanbevelen om de klep te vervangen.  Indien uw hele klep vervangen moet worden zijn er twee verschillende mogelijkheden: de mechanische kunstklep of de biologische kunstklep (zie ook hartklepoperatie). Voor welke soort klep gekozen wordt, wordt altijd goed overwogen en met u besproken.

    De operatie

    Afhankelijk van de oorzaak, ernst en symptomen van de lekkende hartklep kan uw arts aanbevelen om de mitraalklep operatief via een openhartoperatie of via minimaal invasieve operatie te repareren of te vervangen.

    Lees meer

  • Wat is een mitraclip?

    Uw hart bestaat uit twee kamers en twee boezems die worden gescheiden door een hartklep. De rechterboezem wordt door de tricuspidalisklep gescheiden van de rechterkamer. De linkerboezem wordt door de mitralisklep gescheiden van de linkerkamer. Beide kleppen zorgen ervoor dat tijdens het samenknijpen van het hart het bloed in de goede richting stroomt. Als de mitralisklep niet helemaal goed sluit, stroomt er bloed terug in omgekeerde richting naar de linkerboezem. Dit noemen we mitralisklepinsufficiëntie. Een mitraclip is een soort nietje dat onze hartspecialisten gebruiken om lekkage van de mitralisklep te verhelpen. Dit wordt toegepast wanneer een hartoperatie te risicovol is, vanwege een slechte lichamelijke conditie. Bij deze behandeling wordt er een klipje op uw aangedane mitraalklep geplaatst zodat deze weer beter kan gaan functioneren.

    Deze behandeling vind plaats op de hartcatheterisatiekamer, hier zal de cardioloog een ader in uw lies aanprikken en een katheter met het clipje door de ader heen naar uw hart schuiven. Het clipje is een metalen nietje met een zachte bekleding van kunststof. Het clipje wordt door het boezemtussenschot naar de klep gebracht. Met behulp van een echo via de slokdarm wordt gekeken of het clipje op de juiste plek zit. Als het zeker is dat het clipje goed zit, wordt het vastgezet op de hartklep. Het clipje houdt nu de lekkende klepdelen bij elkaar, zodat er geen of slechts een klein beetje lekkage is in plaats van ernstige lekkage. De behandeling duurt ongeveer drie uur en gebeurd onder volledige narcose.

    Na de ingreep gaat u ter observatie naar de Intensive Care afdeling of hartbewaking. Tijdens uw verblijf op deze afdeling krijgt u een intensieve verzorging en bewaking.  Zo gauw als uw conditie het toelaat zal u naar de verpleegafdeling worden overgeplaatst, hier zal ook gestart worden met revalideren.  Voor meer informatie over de opname en de zorg op de afdelingen, verwijzen wij u naar de informatiefolder; hartchirurgie in het azM.  Tijdens uw verblijf zal er ook een nieuwe echo van het hart worden gemaakt om de functie van uw hart en van de mitraalklep te controleren.

    Het is niet altijd zo dat het plaatsen van een clip goed lukt. Het kan zijn dat door de clip de klep erg nauw geworden is, zodat we de clip niet definitief kunnen plaatsen. De clip kan dan alsnog verwijderd worden. Het succespercentage in meerdere onderzoeken ligt ongeveer op 75%, waarmee we een belangrijke lek hebben teruggebracht naar een gering lek. Overigens kan er ook nog na een hartoperatie een lek blijven bestaan. Meestal blijft er dus een kleine lek bestaan, maar hiermee zijn wel de klachten stukken minder geworden.

    U mag tot tenminste 30 dagen na de ingreep geen inspannende activiteiten verrichten. Het is ook heel belangrijk dat u de instructies van uw arts met betrekking tot medicijnen die u moet nemen nauwkeurig opvolgt. Uw arts kan na de behandeling ook een bloedverdunner voorschrijven. De meeste patienten bij wie een mitraalklep clipping wordt toegepast, hebben na de ingreep thuis geen special hulp nodig, behalve eventuele noodzakelijke zorgen welke niet gerelateerd zijn aan de behandeling.

    Complicaties

    De mogelijke complicaties bij mitraalklep clipping zijn;

    • Bloeduitstorting of een bloeding in de lies
    • Boezemfibrilleren, dit komt omdat de ingreep in de boezems van het hart plaatsvindt, hierdoor kunnen deze geprikkeld worden en kan het hartritme onregelmatig worden.
    • Vorming van een bloedstolsel waardoor een beroerte (CVA) of een trombosebeen kan ontstaan.
    • Spoedoperatie, dit kan nodig zijn bij een medisch of technisch probleem, de kans hierop is echter zeer klein

     

     

     

    Extra onderzoeken die nodig kunnen zijn voor een ingreep aan de mitraalklep

    Er kan een slokdarmecho van uw hart gemaakt worden, hierbij zal u een flexibele slang van ongeveer 1 cm moeten inslikken waardoor het echoapparaat veel dichter bij uw hart komt. Op deze manier kan men de mitraalklep goed in beeld brengen en is het mogelijk om 3D opnames van uw mitraalklep te maken. Door deze beelden kan de cardioloog goed zien wat er nu precies met uw mitraalklep aan de hand is. Tijdens de echo zal uw keel  lokaal doormiddel van een spray verdoofd worden. In sommige gevallen kan het ook onder algehele narcose.

    Indien een operatie of clip moet plaatsvinden, willen we graag weten hoe de kransslagvaten rondom uw hart eruit zien. Het kan zijn dat u nog een hartcatheterisatie krijgt of dat men uw kransslagvaten doormiddel van een CT-scan onderzoekt.

    Mocht er sprake zijn van belangrijke vernauwingen dan zal er bij een operatie aan de klep ook een bypass operatie plaatsvinden, omdat de chirurg toch al in het gebied aanwezig is. Bij een clip kan er gekozen worden om eerst een Dotter procedure te doen voordat de clip wordt geplaatst. Dit gebeurt niet op hetzelfde moment.

    Lees meer

  • Patiënteninformatie

    Lees meer in het volgende bladen:

    Wat is een pacemaker?

    Een pacemaker is een elektronisch apparaat dat in het lichaam wordt gebracht. De pacemaker bevat een chip en een batterij die gemiddeld 6 tot 8 jaar meegaat. Uit het apparaatje komen in de meeste gevallen elektrodedraden die via de bloedvaten naar het hart lopen. Een pacemaker  zorgt ervoor dat het hart op een goede, en voldoende snelle manier  pompt. 

     


     

    Waarom krijgt u een pacemaker?


    Als uw hart te traag of verkeerd pompt, zorgt de pacemaker ervoor dat uw hart op een goede en voldoende snelle manier pompt. Dit doet de pacemaker door een impuls of stimulatie te geven als het nodig is.
    Er zijn verschillende soorten pacemakers die voor verschillende doelen gebruikt worden. Het soort dat u krijgt hangt af van waar het probleem zit in het hart. Dit bepaalt ook het aantal elektrodedraden dat nodig is.

    Verdere informatie over de voorbereiding, opname, operatie en controles leest u het patiëntinformatieblad: 

     

    Lees meer

Sluit de enquête
Geef uw mening over de website, of vertel ons hoe wij onze website kunnen verbeteren.
De volgende links voor privacy en servicevoorwaarden behoren tot de reCAPTCHA-plugin van Google.